Meer
Publicatiedatum: 19-02-2019

Inhoud

Programma onderdelen

Paragrafen

Paragraaf 1 | Lokale heffingen

Inleiding

De gemeente stuurt rekeningen voor een aantal belastingen en heffingen. Denk aan de onroerendezaakbelasting, rioolheffing en reinigingsheffing. Deze lokale heffingen zijn een belangrijk onderdeel van onze inkomsten. Deze paragraaf laat de hoogte van de inkomsten zien en geeft een overzicht van de diverse heffingen.

1.1 Inkomsten

In onderstaande tabellen vindt u het totaal van de lokale heffingen en leges en de specificatie hiervan.

bedragen x € 1.000
Lokale heffingen en leges Rekening Primitieve Actuele Rekening Verschil
2016 Begroting Begroting 2017
Lokale heffingen 8.943 9.580 9.351 9.341 - 9 N
Leges 902 795 863 940 77 V
Totaal 9.844 10.375 10.213 10.281 68 V
bedragen x € 1.000
Lokale heffingen Rekening Primitieve Actuele Rekening Verschil
2016 Begroting Begroting 2017
3.1 Thema Economische ontwikk.
Toeristenbelasting 260 253 246 240 - 7 N
Reclamebelasting 43 43 43 45 3 V
3.3 Thema Milieu
Rioolheffing (gecombineerd) 2.898 2.921 2.799 2.807 8 V
Baatbelasting 74 0 0 0 - 0 N
Reinigingsrechten en afvalstoffenheffing 2.009 2.245 2.032 2.005 - 27 N
6.3 Thema Financiën
Onroerende zaakbelasting eigenaren 2.581 2.543 2.657 2.670 13 V
Precariobelasting 754 1.261 1.232 1.246 14 V
Onroerende zaakbelasting gebruikers 248 237 265 255 - 10 N
Forensenbelasting 77 78 77 72 - 4 N
Totaal 8.943 9.580 9.351 9.341 - 9 N
bedragen x € 1.000
Leges Rekening Primitieve Actuele Rekening Verschil
2016 Begroting Begroting 2017
3.2 Thema Openbare ruimte
Verharding 6 5 5 V
3.4 Thema Bouwen en wonen
Bestemmingsplannen 11 25 33 44 11 V
-
6.2 Thema Dienstverlening
Drank en horeca 5 - 16 24 8 V
Omgevingsvergunningen, baten 420 360 360 385 25 V
Rijbewijzen / reisdocumenten baten 445 388 432 467 34 V
Burgerlijke stand / huwelijk 10 13 13 14 1 V
Secretarieleges/dienstverlening baten 4 6 6 1 - 5 N
6.3 Thema Financiën
IP Bedrijfsvoering algemeen 1 1 1 V
IP Huisvesting en werkplek - 3 3 0 - 3 N
Totaal 902 795 863 940 77 V

>

1.4 Kostendekking

Toelichting kostendekking
In de bijlage van de jaarstukken is een overzicht met taakvelden opgenomen. Op de taakvelden verantwoorden we alle baten en lasten die direct betrekking hebben op het taakveld, waaronder salarislasten. De lasten die we niet direct aan de taakvelden kunnen toerekenen, zijn de overheadkosten. Overhead is 'alle kosten die samenhangen met de sturing en ondersteuning van de medewerkers in het primaire proces'. Het gaat hier dan om onder andere personele kosten, huisvesting, ICT, etc. Omdat alle directe kosten al rechtstreeks zijn toegerekend aan de taakvelden, passen we een opslagpercentage toe voor overhead voor taakvelden waarvoor we kostendekkende tarieven mogen berekenen. Bijvoorbeeld afval en riolering. 

Berekening van kostendekkendheid
In onderstaande tabel staan de berekeningen van kostendekkendheid van de heffingen riolering en reiniging. Het uitgangspunt bij deze heffingen is volledige kostendekking. Naast de baten en lasten verantwoord op het taakveld mogen we een aantal lasten toerekenen, waaronder overhead. De overhead is berekend als opslagpercentage over de directe salarislasten die op het taakveld verantwoord zijn. Daarbij is onderscheid gemaakt in een opslagpercentage voor de salarislasten van de buitendienst (78%) en van de binnendienst (115%). Voor de reinigingsheffing is € 221.553 onttrokken uit de egalisatiereserve. Voor rioolheffing is € 122.000 onttrokken uit de reserve lastenverlichting. De investeringslasten in de riolering waren € 134.000 lager dan geraamd. Dit was een efficiencyvoordeel en is daarom toegevoegd aan de rioleringsreserve. De mutaties in de reserves zijn niet in onderstaande tabel verwerkt. De aanwending van de rioleringsvoorziening voor de exploitatie is wel verwerkt in de lasten van het taakveld. 

bedragen x € 1.000
Berekening van kostendekkendheid Begroting Rioolheffing Realisatie Rioolheffing (taakveld 7.2) Begroting Reinigingsheffing Realisatie Reinigingsheffing (taakveld 7.3)
(taakveld 7.2) (taakveld 7.3)
Kosten
Kosten 2.253 2.113 2.507 2.486
Inkomsten -10 -4 -612 -604
Netto kosten taakveld 2.243 2.110 1.895 1.882
Toe te rekenen kosten
Overhead 371 370 135 134
Kwijtschelding 46 47 90 84
Rente -10 -10
Dubieuze debiteuren 7 7 10 10
Watergangen 25 25
BTW 228 237 126 126
Totaal toe te rekenen kosten 678 685 350 344
Totale kosten 2.921 2.795 2.245 2.226
Opbrengst heffingen -2.921 -2.807 -2.245 -2.005
Dekkingspercentage 100% -100% 100% -90%

Paragraaf 2 | Weerstandsvermogen en risicobeheersing

Inleiding

Deze paragraaf laat zien hoe solide onze begroting is en in hoeverre we financiële tegenvallers kunnen opvangen. Het gaat om de relatie tussen de (financiële) weerstandscapaciteit en alle risico’s die de gemeente loopt die niet zijn afgedekt door reserves, voorzieningen en verzekeringen. Door het vormen van een weerstandsvermogen hoeven we bij een financiële tegenvaller in de begrotingsuitvoering niet direct tot een bezuiniging over te gaan. Het weerstandsvermogen is op dit moment voldoende om de risico’s af te dekken.

2.1 Conclusie weerstandsvermogen

De beschikbare weerstandscapaciteit is per 31 december 2017 € 18,31 miljoen. Dit bestaat uit de Algemene reserve van € 12,44 miljoen (exclusief het bodembedrag van € 3 miljoen) en de bestemmingsreserves van € 5,87 miljoen. Het totaal van de bestemmingsreserves is € 10,87 miljoen. Voor de weerstandscapaciteit halen we hier de reserve Sociaal domein € 2,82 miljoen en de Algemene reserve grondexploitatie € 2,18 miljoen vanaf.

De benodigde weerstandscapaciteit is € 960.500 (zie overzicht bij kwantificeerbare risico's). Het weerstandsvermogen is voldoende om de risico’s af te dekken. Naast de beschikbare weerstandscapaciteit van € 18,31 miljoen is er nog de algemene buffer van € 3 miljoen (als onderdeel van de Algemene reserve). Deze beide gecombineerd maakt dat in relatie tot de omvang van de activiteiten er voldoende buffer aanwezig is voor het opvangen van de risico’s.

Risico’s die zich regelmatig voordoen en die vrij goed meetbaar zijn, maken geen onderdeel uit van de risico’s binnen het weerstandsvermogen. Hiervoor zijn verzekeringen afgesloten of reserves en voorzieningen gevormd. We gaan op de volgende manier om met de risico’s rondom grondexploitatie, openeinde-regelingen, verbonden partijen en decentralisaties:

Grondexploitaties: Hiervoor is de reserve grondexploitatie ingesteld. Deze reserve is bestemd voor het opvangen van verliezen (bijvoorbeeld van niet-kostendekkende complexen), planschadeclaims en verlaging van verkoopprijzen. We beoordelen ieder jaar opnieuw of de reserve toereikend is. 

Open einde regelingen: De belangrijkste openeinde-regelingen zijn de regelingen Sociaal Domein en WWB. De risico’s binnen het Sociaal Domein (WMO, jeugd en participatie) zijn gedekt door de reserve Sociaal Domein. Bij 2.4 staat een aparte toelichting hierover. Het risico in het kader van de WWB nemen we mee in de bepaling van de weerstandscapaciteit (risico nummer 2).

Verbonden partijen: Jaarlijks beoordelen we de jaarrekeningen, begrotingen en tussentijdse rapportages van de verbonden partijen en leggen die aan u voor. We nemen deel aan aandeelhoudersvergaderingen en bij de meeste verbonden partijen ook aan tussentijdse overleggen. Net als bij de grondexploitatie geldt dat er geen extra financiële buffer noodzakelijk is, omdat er geen risico’s zijn die een gevaar vormen voor de financiële positie. Als dit wel het geval is, nemen we dat risico mee in deze paragraaf. Dat beoordelen we ieder jaar opnieuw.

2.2 Algemene beleidslijn

Om het weerstandsvermogen te beoordelen zetten we de beschikbare weerstandscapaciteit af tegen de benodigde weerstandscapaciteit. De weerstandscapaciteit is een optelsom van middelen die beschikbaar zijn om de gevolgen van risico's die niet begroot zijn te dekken.

Benodigde weerstandscapaciteit
De benodigde weerstandscapaciteit stellen we vast aan de hand van een risico-inventarisatie. Per risico is een inschatting gemaakt van de kans dat het risico zich voordoet. Daarnaast zijn de financiële gevolgen van deze risico’s zo veel mogelijk weergegeven.

Beschikbare weerstandscapaciteit
De beschikbare weerstandscapaciteit bestaat uit de middelen en de mogelijkheden waarover de gemeente beschikt om niet-begrote kosten, die onverwachts en substantieel zijn, te dekken. Het gaat dan vooral om de reservecapaciteit (algemene- en bestemmingsreserves), de onbenutte begrotingscapaciteit, de onbenutte investeringscapaciteit en de stille reserves. We bepalen de beschikbare weerstandscapaciteit aan de hand van de algemene reserve en bestemmingsreserve. We willen een beschikbare weerstandscapaciteit met minimaal de omvang van de benodigde weerstandscapaciteit.

Risicobeheersing
Risicobeheersing is de manier waarop we risico’s beheersen, inclusief de processen en systemen waarmee we dat doen. Onze organisatie heeft tal van beheersmaatregelen getroffen om de doelstellingen in de programma's te realiseren. Er is een grote verscheidenheid aan maatregelen, die we als volgt indelen:

  • Juridische beheersmaatregelen (inkoopvoorwaarden, contractbepalingen, leveringsvoorwaarden, juridische kwaliteitszorg);
  • Financiële beheersmaatregelen (financial control, verzekeringen, bankgaranties, treasurystatuut);
  • Organisatorische beheersmaatregelen (AO/IC, procedures, 4-ogen-principe, audits);
  • Materiële beheersmaatregelen en informatiebeveiligingsbeheersmaatregelen (gemeentelijk informatiebeveiligingsplan).


Twee keer per jaar, als onderdeel van de P&C-cyclus, actualiseren we het overzicht met de belangrijkste risico’s. Dit doen we op basis van dossieronderzoek en interviews met management en medewerkers. Na identificatie van het risico brengen we de oorzaak en het gevolg van het risico in beeld. We kwantificeren ieder risico (als dat mogelijk is). En we maken een inschatting van de kans dat het risico zich voordoet, evenals het financiële gevolg. Dit resulteert in het risicoprofiel voor onze gemeente. Vervolgens inventariseren we voor elk risico de getroffen beheersmaatregelen.

Bij de kwantificeerbare risico's staat een opsomming van de risico’s. Per risico is een inschatting gemaakt van de kans dat het risico zich voordoet, evenals de financiële gevolgen. Bij deze inschattingen gebruiken we onderstaande tabel:

Categorie Kans op voorkomen Kwantitatief Financieel gevolg
1. < of 1 keer per 10 jaar of="" 1="" keer="" per="" 10=""> 10% Geen geld gevolgen
2. 1 keer per 5-10 jaar 30% < € 25.000 €="">
3. 1 keer per 2-5 jaar 50% > € 25.000 - € 100.000
4. 1 keer per 1-2 jaar 70% > € 100.000 - € 500.000
5. 1 keer per jaar of meerdere keren per jaar 90% > € 500.000

2.3 Kwantificeerbare risico's

De benodigde weerstandscapaciteit is ten opzichte van de begroting 2018 en de jaarstukken 2016 € 1 miljoen lager. Dit komt doordat een gerechtelijke procedure beëindigd is.

Nr. Risico en beheersmaatregel Kans op voorkomen risico Financieel gevolg Benodigde weerstands-capaciteit
1. Risico: afrekening achteraf re-integratie en inburgering 4 3 € 44.000
Beheersmaatregel: leveranciers vragen hun facturen vroegtijdig aan te leveren
Toelichting: nota’s die achteraf (in 2017) worden ontvangen kunnen we niet altijd tijdig meenemen in de afhandeling van het Werkdeel van het participatiebudget
2a. Risico: vangnet-uitkering wordt niet toegekend 4 4 € 141.000
Beheersmaatregel: rechtmatig uitvoeren van regelingen. Beleid en uitvoering op orde hebben. Adequaat handhavings- en sanctiebeleid.
Toelichting risico: Het risico is dat we niet voldoen aan de voorwaarden waardoor we geen vangnetuitkering ontvangen. Bij de berekening gaan we uit van een tekort van 10% op het WWB I-deel budget. Het tekort tussen de 5% en 10% wordt gedeeld door het Rijk en de gemeente. Het risico is dan maximaal 2,5% van het WWB I-deel budget.
2b. Risico: afwijking op WWB I-deel budgetten waardoor beroep op algemene middelen onvermijdelijk is. 2 4 € 8.000
Beheersmaatregel: een keer per maand ontvangen we managementcijfers met de stand van zaken. Hierdoor kunnen we op financieel gebied bijsturen. Ook zijn er procesmaatregelen aan de poort en bij uitstroom. Beïnvloeding van klantaantallen is niet of zeer marginaal mogelijk.
Toelichting: Het maximale risico bestaat uit een tekort van 10% van het WWB I-deel budget waarvan wij tot 7,5% moeten betalen uit eigen middelen. In de begroting is al rekening gehouden met een tekort van 9,3%. Het risico gaat over de resterende 0,7%.
3. Risico: bijstelling algemene uitkering gemeentefonds (AU) 5 4 € 270.000
Beheersmaatregel: drie keer per jaar verschijnt er een circulaire. Deze circulaires beoordelen we en rekenen we door. Toelichting risico: het gemeentefonds is gekoppeld aan de netto-gecorrigeerde rijksuitgaven, de zogenaamde “trap op, trap af systematiek”. Als na afloop van een jaar blijkt dat de netto-gecorrigeerde rijksuitgaven lager zijn dan gepland, wordt de algemene uitkering naar beneden aangepast. Dit vertaalt zich in een aanpassing van het accres.
4. Risico: terugbetaling verstrekte geldleningen 1 3 € 6.000
Beheersmaatregel: bij eventuele achterstanden in aflossingen ondernemen we meteen actie.
Toelichting risico: aan instellingen op het terrein van volkshuisvesting, veiligheid, sport en dorpshuizen zijn leningen vertrekt. Het is niet in alle gevallen duidelijk of er voldoende opstallen, installaties e.d. aanwezig zijn om, in het geval van het uitblijven van de betaling, de restantschuld te voldoen.
5. Risico: garanties woningbouwcorporaties 1 5 € 50.000
Beheersmaatregel: het door het waarborgfonds verstrekte overzicht beoordelen we en daarnaast beoordelen we bij een individuele aanvraag de situatie.
Toelichting: het waarborgfonds Sociale Woningbouw heeft de bestaande directe risico’s op geldleningen overgenomen. De gemeente kan op basis van de ‘achtervangregeling’ nog worden aangesproken.
6. Risico: National Hypotheek Garantie 1 4 € 19.000
Beheersmaatregel: we beoordelen het jaarlijks verstrekte overzicht van hypotheekgaranties.
Toelichting: vanaf 2011 heeft het Rijk de achtervang voor alle nieuwe hypotheekgaranties op zich genomen. De gemeente blijft echter wel garant staan voor de vóór 1 januari 2011 verleende garanties.
7. Risico: overige garanties 1 5 € 50.000
Beheersmaatregel: we beoordelen het overzicht garanties.
Toelichting risico: er zijn garanties verleend aan instellingen op het terrein van gezondheid, volkshuisvesting en onderwijs.
8. Risico: leegstand in standalone schoolgebouwen en M.F.A’s. 5 4 € 90.000
Beheersmaatregel: in 2013 is de ‘Visienota toekomst basisonderwijs in Ooststellingwerf’ door u vastgesteld, waarin de mogelijkheden staan voor het toekomstig onderwijslandschap. In maart 2012 is de notitie ‘platteland aan zet’ door u vastgesteld waarin de kaders zijn geschetst van het na te streven voorzieningenpeil.
Toelichting: bij (gedeeltelijke) leegstand lopen de exploitatiekosten van het gebouw door terwijl de inkomsten wegvallen. De exploitatie van de M.F.A’s komt daarmee onder druk te staan. In 2016 is door het opheffen van obs Dalton Mst van Hasseltschool structurele leegstand ontstaan in MFS de Boekebeam te Waskemeer. De inkomstenderving voor de MFS bedraagt € 30.000.
9. Risico: diverse gerechtelijke procedures 4 5 € 282.500
Beheersmaatregel: juridische kwaliteitszorg en inhuur van externe juristen bij lopende procedures en/of te verwachten claims.
Toelichting: op basis van de huidige stand van zaken lopende procedures en/of te verwachten claims/procedures is een inschatting gemaakt.
10. Risico: veiligheidsmaatregelen politieke ambtsdragers - - PM
Toelichting: in rechtspositionele besluiten is uitdrukkelijk bepaald dat het betreffende bestuursorgaan verantwoordelijk is voor de bekostiging van voorzieningen ten behoeve van de politieke ambtsdrager, welke in het Stelsel bewaken en beveiligen worden aangemerkt als werkgeverskosten. In deze lijn past dat beveiliging op het werk maar ook daarbuiten voor zover die een werkgeverszorg is, voor rekening komt van de gemeente en door de gemeente geregeld wordt.
TOTAAL € 960.500

2.4a Sociaal domein

In de begroting 2017 zijn de uitgaven en inkomsten voor Jeugd en Wmo budgettair neutraal opgenomen. Het resultaat komt ten gunste/ten laste van de reserve Sociaal Domein. Op dit moment kunnen we de resultaten van WMO/AWBZ en Jeugd (en de lasten t.a.v. de PGB’s) nog niet goed verwerken. Zorgaanbieders welke meer hebben gedeclareerd dan € 100.000 moeten een verantwoording met accountantsverklaring bij ons indienen. Zorgaanbieders welke voor minder dan € 100.000 hebben gedeclareerd moeten een verantwoording indienen voorzien van een handtekening van de directeur/ bestuurder. Deze gegevens van de zorginstellingen en het SVB zullen in april/mei aangeleverd en verwerkt worden.

Uit de december circulaire blijkt dat de budgetten die we van het Rijk ontvangen voor het Sociaal Domein de komende jaren ten opzichte van 2017 stapsgewijs teruglopen naar € 13,8 miljoen in 2021. De daling van het budget zit vooral in de AWBZ en Participatiewet. Voor de AWBZ geldt dat, vasthoudend aan het uitgangspunt dat de te leveren zorg op peil blijft, de komende jaren de kosten verder naar beneden moeten om budgettair neutraal te kunnen blijven. Ten aanzien van de participatiewet, geldt dat er sprake dient te zijn van afbouw binnen de WSW. De reserve Sociaal Domein is voor 2017 tot en met 2019 toereikend in het geval de kosten vanaf 2017 niet afnemen met hetzelfde volume als de rijksbudgetten.

bedragen x € 1.000
Sociaal Domein 2017 2018 2019 2020 2021
Septembercirculaire 2017
AWBZ naar Wmo 4.095 4.105 4.048 4.039 4.060
Jeugdzorg 5.911 5.959 5.983 6.030 6.067
Participatiewet 4.486 4.176 3.991 3.831 3.726
14.492 14.240 14.022 13.900 13.853

2.4b Risico's Sociaal Domein

De risico’s binnen het Sociaal Domein zijn in te delen in 2 soorten risico’s. Enerzijds de risico’s op basis van landelijke ontwikkelingen en anderzijds de lokale risico’s.

Landelijke ontwikkelingen:

  • We krijgen minder budget van het rijk, terwijl onze lasten wellicht wel hetzelfde blijven. Impact € 1,6 miljoen. Namelijk € 200.000 in 2018, 2019 € 400.000 (t.o.v. huidige stand in 2017), € 500.000 in 2020 en in 2021 nog eens € 500.000.
    Ingeschat risico: € 1,6 miljoen in de komende 4 jaar, gemiddeld genomen € 400.000 per jaar.
  • Er komt een nieuwe wet, die een andere invulling geeft aan het woonplaatsbeginsel. Op dit moment zitten wij aan de gunstige kant. Er is geen instelling voor Jeugdigen binnen onze gemeente grens. Daarom zijn eventuele Jeugdigen vanuit Ooststellingwerf in instellingen geplaatst, bij een andere gemeente, die vervolgens ook de financiële last heeft gedragen. De wet gaat er voor zorgen dat de gemeente waarin de cliënt ingeschreven is de kosten zal dragen. Gemiddeld bedragen de kosten voor een Jeugdige in een instelling € 71.000 per jaar. Uitgaande van de aan ons verstrekte gegevens zouden wij ongeveer 13 Jeugdigen doorverwezen hebben naar een instelling. 
    Ingeschat risico: tussen € 0 en € 1 miljoen per jaar.

  • Vanuit het land, blijkt dat de zorgkosten voor jeugd blijven toenemen. Er is nog niet bekend wat de oorzaak is en of deze trend zich ook bij ons voordoet.
    Ingeschat risico: PM

  • Het werkelijke inzicht in de lasten (voor met name Jeugd, regionaal) is nog niet goed in beeld. Hiervoor zijn we te afhankelijk van derden en hebben we gemerkt dat de zorgaanbieders de basis nog niet op orde hebben. Hierdoor hebben wij ook een verklaring met beperking gekregen over 2015/2016. Daarnaast wordt dit beeld bevestigd doordat we zelfs nu nog rekeningen krijgen van instellingen over 2015/2016 en dat loopt nog steeds door.
    Ingeschat risico: PM

  • Er is een wetsvoorstel in de maak die bepaalt dat de eigen bijdragen, die betaald moet worden voor zorg, worden vastgesteld op een maximum tarief. Hierdoor wordt de zorg wellicht toegankelijker gemaakt voor mensen die het nu zelf regelen, doordat ze de eigen bijdrage momenteel te hoog vinden. Naast deze ontwikkeling staat dus ook nog dat we minder eigen bijdrage zullen ontvangen. Dus feitelijk gaat dit twee kanten op.
    Ingeschat risico: PM

  • Door diverse lobby’s van met name centrum gemeenten bestaat de kans dat er een herverdeling plaats zal vinden van de budgetten. Deze gemeenten laten over het afgelopen jaar tekorten binnen het Sociaal Domein zien. 
    Ingeschat risico: PM

  • Vanaf 2019 worden de budgetten van het Sociaal Domein opgenomen in de algemene Uitkering. Hierdoor zijn deze niet meer gelabeld aan het domein, en worden de algehele maatstaven, zoals opgenomen bij de algemene uitkering, gehanteerd voor de verdeling van de budgetten.
    Ingeschat risico: PM


Lokale ontwikkelingen:

  • In 2018 wordt gestart met een resultaatafhankelijke projectfinanciering bij Jeugd. Dit is iets geheel nieuws. De verwachting is dat dit een positief effect zal hebben voor de mensen, maar het financiële effect is nog onbekend.
    Ingeschat risico: PM

  • Huishoudelijke hulp; naar ieders tevredenheid wordt onze hulp door met name Alfahulpen uitgevoerd. Dit zijn een soort freelancers, welke netto net zo veel verdienen als HH-medewerkers, echter omdat er dus geen werkgeverslasten betaald hoeven te worden, zijn ze voor ons goedkoper. Als deze alphahulpen in dienst moeten treden bij de zorginstellingen dan zal dat een negatieve financiële impact hebben.
    Ingeschat risico: € 400.000

  • Als we voor het gehele sociaal domein in 2018 op een andere manier beleid gaan maken (opgavegericht en in samenspel met dorpen, organisaties en inwoners) gebruiken we de kennis, ervaring en creativiteit van de lokale samenleving om samen keuzes te maken voor de komende jaren. Dit vraagt extra financiële ruimte.

    • In de eerste plaats ontstaan bij deze manier van werken nieuwe initiatieven, concepten en samenwerkingsrelaties die de tijd moeten krijgen om op te starten, te rijpen en te verankeren in de dagelijkse praktijk. Dit betekent dat we deze nieuwe concepten in de komende jaren moeten ondersteunen, terwijl we de bestaande voorzieningen en activiteiten nog niet los kunnen laten. Dit vraagt financiële ruimte waardoor nieuwe concepten tijd krijgen om zich te bewijzen en uit te kristalliseren. Ingeschat risico: PM

    • In de tweede plaats is het waarschijnlijk dat de komende jaren veranderingen plaatsvinden in bestaande subsidierelaties in het sociaal domein. Hoewel dit geen doel op zich is, is het goed denkbaar dat bepaalde subsidies worden afgebouwd en dat bijvoorbeeld gewerkt wordt met subsidies voor een ‘pakket’ aan activiteiten door verschillende samenwerkende instellingen, dorpen en verenigingen (in plaats van individuele instellingen). Ook deze omvorming vereist financiële ruimte om dit in goede banen te leiden en tijd te gunnen. Ingeschat risico: PM

 

Samengevat:
Kwantificeerbare risico’s = € 800.000 tot € 1.800.000.
Daarnaast een groot aantal PM risico’s.

Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ)
Een aanvrager van een voorziening, hulp in de huishouding of een financiële tegemoetkoming (persoonsgebonden budget) is op grond van de WMO een bijdrage verschuldigd. De wetgever heeft bepaald dat de berekening, oplegging en incasso van deze eigen bijdrage wordt uitgevoerd door het Centraal Administratiekantoor (CAK). De informatie van het CAK (om privacyredenen beperkt) is ontoereikend om als gemeente de juistheid op persoonsniveau en volledigheid van de eigen bijdragen als geheel te kunnen vaststellen. Door deze systematiek heeft de wetgever in feite bepaald dat de verantwoordelijkheid voor de juistheid en volledigheid van de eigen bijdragen op grond van de WMO geen gemeentelijke verantwoordelijkheid is. Dit betekent dat de gemeenten geen zekerheden over omvang en hoogte van de eigen bijdragen kunnen krijgen.

Jeugdzorg
De tendens is dat de jeugdzorg duurder wordt. De achtergronden en oorzaken zijn nog niet echt helder, maar er is een opwaartse druk op de uitgaven zichtbaar aan het worden. Een van de oorzaken ligt in een voorgenomen wetswijziging die ervoor zorgt dat het zogenaamde woonplaatsbeginsel voor jeugdigen die in een instelling verblijven wordt aangepast. Op dit moment worden de kosten "genomen" door de gemeente waarin de instelling is gehuisvest. Na de wijziging zal dit plaatsvinden door de oorspronkelijke gemeente waar de jeugdige vandaan komt.

Participatiewet
Met de Participatiewet is de instroom in de Sociale Werkvoorziening Fryslân (SW) gestopt. De gemeenten kiezen ervoor om de Participatiewet niet gezamenlijk uit te voeren via de uitvoeringsorganisatie voor de sociale werkvoorziening (Caparis). Dit maakt een herstructurering en verantwoorde versnelling noodzakelijk in de afbouw van Caparis. De wijze waarop dit plaatsvindt is momenteel in onderzoek. Medio 2017 is het eerste concept van het herstructureringsplan besproken. Dit plan is nog in ontwikkeling. Ook worden we geconfronteerd met oplopende kosten als gevolg van het jaarlijks oplopend verschil tussen de rijksbijdrage en de werkelijke SW-loonkosten (het zogenaamde subsidietekort van Caparis). De subsidie per arbeidsplaats (SE) loopt van € 23.819 over 2018 terug tot € 23.095 in 2021.

2.5a Financiële kengetallen

Kengetallen drukken de verhouding uit tussen bepaalde onderdelen van de begroting of de balans en kunnen ons helpen bij de beoordeling van de financiële positie van onze gemeente. De kengetallen geven informatie over hoeveel (financiële) ruimte onze gemeente heeft om structurele en incidentele lasten te kunnen dekken of opvangen. Ze geven inzicht in de financiële weerbaarheid en wendbaarheid. Ook geeft het mogelijkheden om onze gemeente te vergelijken met andere gemeenten.

Kengetallen Rekening 2016 Begroting 2017 Rekening 2017
Netto schuldquote 36% 48% 42%
Netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen 27% 37% 36%
Solvabiliteitsratio 39% 28% 39%
Structurele exploitatieruimte 2% -1% -1%
Grondexploitatie 3% 6% 4%
Belastingcapaciteit 92% 93% 91%
EMU saldo (bedrag x € 1.000) 2.054 -1.689 -2.203

2.5b Beoordeling onderlinge verhouding kengetallen en financiële positie

Het is niet mogelijk om een individueel kengetal te gebruiken voor de beoordeling van de financiële positie. De kengetallen moeten we altijd in samenhang bekijken. Ze geven alleen gezamenlijk en in hun onderlinge verhouding een goed beeld van de financiële positie van onze gemeente. Op basis van de kengetallen concluderen we dat de financiële positie van onze gemeente goed is. Het jaren geleden ingezette financiële beleid heeft er toe geleid dat de financiële positie is versterkt.

Netto schuldquote en netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen
De netto schuldquote is de schuldenlast ten opzichte van de eigen middelen en afgezet tegen de totale baten. We geven de netto schuldquote zowel in- als exclusief doorgeleende gelden weer. Zo brengen we duidelijk in beeld wat het aandeel van de verstrekte leningen is en wat dit betekent voor de schuldenlast. Normaal bevindt de netto schuldquote van een gemeente zich tussen de 0% en 100%. Voor een gemeente geldt dat als de netto schuldquote uitkomt boven de 130% er sprake is van een zeer hoge schuld. Boven de 100% blijft er weinig leencapaciteit over om de gevolgen van financiële tegenvallers (door bijvoorbeeld een economische recessie) op te vangen. De totale schuldenlast is afgenomen in 2017. De netto schuldquote is wel gestegen ten opzichte van de jaarrekening 2016, dit komt door lagere totale baten.

Solvabiliteitsratio
Dit kengetal geeft inzicht in hoeverre de gemeente in staat is aan haar financiële verplichtingen te voldoen. Het is het eigen vermogen (de reserves) als percentage van het balanstotaal. Een solvabiliteit tussen de 20% en 50% voor gemeenten is gemiddeld. Hoe hoger het solvabiliteitsratio, hoe hoger de weerbaarheid van de gemeente. Uit de tabel blijkt dat onze solvabiliteit gemiddeld is.

Structurele exploitatieruimte
Dit kengetal geeft aan welke structurele ruimte een gemeente heeft om de eigen lasten te dragen, of welke structurele stijging van de baten of structurele daling van de lasten daarvoor nodig is. Voor de jaarrekening 2017 is deze iets negatief. Dit betekent dat de structurele baten niet helemaal toereikend waren om de structurele lasten te dekken.

Grondexploitatie
Het kengetal grondexploitatie geeft aan hoe groot de grondpositie (de waarde van de grond) is ten opzichte van de totale (geraamde) baten (exclusief mutaties reserves). Hoe lager het kengetal, hoe lager de grondpositie ten opzichte van de totale geraamde baten. De grondexploitatie kan een behoorlijke invloed hebben op de financiële positie van een gemeente. De boekwaarde van de voorraden grond is belangrijk, deze moeten we weer terugverdienen bij de verkoop. Ieder jaar beoordelen we of de gronden tegen een actuele waarde op de balans staan. Het kengetal van 4% geeft aan dat het risico voor ons niet hoog is. 

Belastingcapaciteit
De belastingcapaciteit geeft inzicht in hoeverre we een financiële tegenvaller in het volgende begrotingsjaar kunnen opvangen en of er ruimte is voor nieuw beleid. De gemiddelde woonlasten (OZB, rioolheffing en afvalstoffenheffing) voor een gezin worden afgezet tegen het landelijk gemiddelde. Na de algemene uitkering gemeentefonds zijn de belastinginkomsten de belangrijkste inkomsten voor een gemeente. Het Coelo publiceert jaarlijks de Atlas van de lokale lasten. Deze publicatie is de basis voor de berekening van dit kengetal. De woonlasten in onze gemeente zijn lager dan het landelijk gemiddelde. Het kengetal van 91% geeft aan dat er ruimte is om financiële tegenvallers op te vangen door het verhogen van de woonlasten.

EMU-saldo
De EMU-systematiek (kosten en opbrengsten) die het Rijk hanteert werkt anders dan het baten-lastenstelsel dat wij (als decentrale overheid) hanteren. Investeringen en uitgaven bijvoorbeeld die wij dekken uit reserves tellen wel door in het EMU-saldo, maar hebben geen gevolg voor de uitkomst in het baten-lastenstelsel. Dus bij een sluitende begroting kan het EMU-saldo negatief zijn. Tussen het Rijk en de decentrale overheden zijn afspraken gemaakt voor de beheersing van het EMU-saldo. Het tekort voor de totale sector overheid mag niet hoger uitkomen dan 3% van het bruto binnenlands product. Met het rijk is voor 2017 een macro-norm afgesproken van 0,3% van het BBP voor de decentrale overheden (waterschap, provincie en gemeente). Ons EMU-saldo voor 2017 is negatief.

Paragraaf 3 | Onderhoud kapitaalgoederen

Inleiding

Kapitaalgoederen zijn goederen waarvoor investeringen nodig zijn. Het gaat om zaken die daarna regelmatig onderhoud vergen. Bijvoorbeeld wegen, gebouwen, riolering en groen. Het onderhoud van kapitaalgoederen is van groot belang voor een goede kwalitatieve instandhouding van het openbare voorzieningenniveau. Dit onder meer op het gebied van leefbaarheid, veiligheid, vervoer en recreatie. In deze paragraaf gaan we per kapitaalgoed in op het beleidskader en de daaruit voortvloeiende financiële consequenties.

3.1 Financiële consequenties

In onderstaande tabel staan de financiële consequenties van de kapitaalgoederen per programma. 

bedragen x € 1.000
Onderhoud kapitaalgoederen Rekening Primitieve Actuele Rekening Verschil
2016 Begroting Begroting 2017
2. Welzijn & educatie
Huisvesting onderwijs -2.513 -2.272 -2.269 -2.347 - 78 N
Welzijn- en sportaccommodaties -1.029 -1.272 -1.144 -903 241 V
3. Ruimtelijke & economische ontwikk.
Verhardingen -1.367 -1.005 -1.473 -1.531 - 58 N
Bruggen en oevervoorzieningen -130 -63 -63 -62 1 V
Verkeersvoorzieningen -290 -348 -361 -315 46 V
Openbaar Groen -533 -566 -631 -543 88 V
Rioleringen -2.637 -1.841 -1.841 -1.680 160 V
Rioolheffing 2.781 2.864 2.742 2.758 15 V
Baatbelasting 69 0 0 0 - 0 N
6. Bestuur & Dienstverlening
Automatisering -1.140 -1.067 -1.178 -1.151 28 V
Totaal onderhoud kapitaalgoederen -6.789 -5.568 -6.217 -5.774 442

>

Paragraaf 4 | Financiering

Inleiding

De paragraaf financiering heeft niet alleen, zoals de naam doet vermoeden, betrekking op het aantrekken van gelden. Ook het storten (via schatkistbankieren) van (tijdelijk) overtollige middelen is relevant. Deze activiteiten vormen een onderdeel van de treasuryfunctie van de gemeente. Een adequate sturing op de geldstroom is noodzakelijk. Deze paragraaf gaat in op de vraag hoe we gelden zo optimaal mogelijk beleggen, dan wel aantrekken. De liquiditeitsprognose speelt hierbij een belangrijke rol.

4.1 Kasgeldlimiet

In de Wet Financiering Decentrale Overheden (FIDO) is een norm gesteld voor het maximumbedrag waarop de gemeente haar uitgaven met kortlopende middelen (looptijd < 1 jaar) mag financieren. Dit heet de kasgeldlimiet. De kasgeldlimiet bedraagt 8,5% van het begrotingstotaal en bedraagt voor 2017 € 6 miljoen. Zoals onderstaand overzicht aangeeft zijn wij in 2017 onder de gestelde norm gebleven:

bedragen x € 1.000
Kasgeldlimiet Rekening
2017
Kasgeldlimiet aanvang begrotingsjaar -5.956
Omvang vlottende schuld
1e kwartaal 635
2e kwartaal 584
3e kwartaal 417
4e kwartaal -1.524

4.2 Renterisiconorm

De renterisiconorm is bedoeld om te voorkomen dat wij in een bepaald jaar geconfronteerd worden met, in verhouding tot de vaste schuld, forse renteherzienings- en herfinancieringsproblemen. De norm is gesteld op 20% van het begrotingstotaal. Voor Ooststellingwerf bedraagt de renterisiconorm € 14 miljoen. Dit betekent dat in 2017 de som van de vaste geldleningen waarvan de rente wordt herzien en de noodzakelijke herfinancieringen beneden de € 14 miljoen moest blijven. Onderstaand schema laat zien dat de renterisiconorm niet is overschreden.

bedragen x € 1.000
Rente risiconorm Rekening
2017
Rente risiconorm 14.013
Aflossingen en renteherzieningen
Reguliere aflossingen geldleningen 4.800
Geldleningen met renteherzieningen -
Totaal Aflossingen en renteherzieningen 4.800
Ruimte (+) / Overschrijding (-) 9.213

4.3 Leningenportefeuille opgenomen gelden

Het aandeel van de geldleningen opgenomen ten behoeve van de woningbouw is ruim 10% per ultimo 2017. Deze leningen zijn doorgeleend met een opslag op het rentepercentage. Sinds 1999 zijn er geen leningen meer verstrekt aan de woningbouwcorporaties. Wel zijn er in 2017 twee woningbouwleningen algeheel afgelost voor in totaal € 3,6 miljoen. In 2017 is één eigen lening algeheel afgelost voor in totaal € 4 miljoen. Daarnaast is er een reguliere aflossing geweest van € 0,8 miljoen. De afgeloste lening is geherfinancierd met één lening van € 3 miljoen.

bedragen x € 1.000
Leningenportefeuille opgenomen gelden Eigen leningen Woningbouw leningen
Bedrag Rente Bedrag Rente
Stand per 1 januari 25.400 2,15% 6.492 4,34%
Nieuwe leningen 3.000
Reguliere aflossingen -4.800 -3.725
Vervroegde aflossingen -
Stand per 31 december 23.600 1,96% 2.767 2,42%
NB: het gemiddelde rentepercentage begin 2017 is als volgt berekend: rente 2017 / stand 1-1-2017. Het gemiddelde rentepercentage eind 2017: rente 2018 / stand per 31-12-2017. Voor de berekening van het gemiddelde rentepercentage is geen rekening gehouden met herfinanciering.

4.4 Schatkistbankieren

Vanaf 1 januari 2014 zijn alle decentrale overheden verplicht om te schatkistbankieren. Wat betekent dat alle overtollige liquide middelen, het saldo liquide middelen boven het drempelbedrag 0,75% van de begroting, moeten worden gestald bij het Rijk. Voor gemeente Ooststellingwerf betekent dit dat er gemiddeld een bedrag van € 525.000 (dit is 0,75% van het begrotingstotaal van € 70 miljoen) op de gezamenlijke bankrekeningen mag staan. Het saldo daarboven moeten we afstorten bij het rijk. Vanaf eind 1e 2017 kwartaal moest de gemeente Schatkistbankieren. Zie de tabel in de bijlage voor het overzicht schatkistbankieren. Aan het eind van het jaar was er geen tegoed aangehouden bij het Rijk.

Paragraaf 5 | Bedrijfsvoering

Inleiding

De gemeente Ooststellingwerf is een zelfbewuste plattelandsgemeente. We werken open, zakelijk en betrokken samen om collectieve belangen te behartigen en te realiseren voor inwoners, ondernemers en bezoekers. Deze missie vraagt om een organisatie die competent en flexibel is. Zodat we kunnen inspelen op de steeds veranderende vraag uit de omgeving. Als organisatie willen we verbindend zijn, in contact staan en eigen kracht stimuleren en ondersteunen. De komende jaren willen we verder investeren in het ontwikkelen van de organisatie en het continu verbeteren van de bedrijfsvoeringsprocessen.

Naar een wendbare organisatie
We zitten in een overgang van door de overheid gestuurde initiatieven naar initiatieven van inwoners, organisaties en bedrijven zelf. Dit vergt van onze bedrijfsvoering nog meer flexibiliteit om goed in te kunnen spelen op een steeds veranderende vraag uit de omgeving en eigen organisatie. Dit vraagt om een set spelregels die enerzijds de kaders bewaken, en anderzijds meebewegen met de opgaven vanuit de samenleving.

>

Paragraaf 6 | Verbonden Partijen

Inleiding

Verbonden partijen zijn organisaties waarin de gemeente een bestuurlijk én financieel belang heeft. Een bestuurlijk belang betekent dat de gemeente zeggenschap heeft. Een financieel belang betekent dat de gemeente financiële middelen beschikbaar heeft gesteld die ze kwijt is in geval van faillissement van de partij. De gemeente heeft ook een financieel belang als de verbonden partij haar financiële problemen kan verhalen op de gemeente. Elke verbonden partij draagt direct of indirect bij aan de beleidsdoelen van de gemeente. De verbonden partijen bestaan uit Gemeenschappelijke Regelingen, deelnemingen en overige verbonden partijen.

>

6.1 Algemene beleidslijn

Verbonden partijen zijn (participaties in) gemeenschappelijke regelingen, stichtingen en verenigingen en vennootschappen. Deelname in een verbonden partij is een alternatief voor enerzijds het zelf uitvoeren van gemeentelijke taken of anderzijds het uitbesteden van deze taken door de gemeente. Het uitgangspunt is dat wij alleen deelnemen in een verbonden partij als we daarmee een publiek belang dienen. Er kunnen verschillende redenen zijn om deel te nemen in een verbonden partij, bijvoorbeeld:

  • Efficiencyvoordelen: kostenvoordeel door samenwerking;
  • Risicospreiding: het delen van (financiële) risico’s met andere partijen;
  • Kennisvoordeel: gebruik maken van elkaars kennis en expertise;
  • Bestuurlijke kracht/effectiviteit: deelnemers staan samen sterker;
  • Katalysatorfunctie: de gemeente als belangrijke initiërende factor.

We streven naar het efficiënt uitvoeren van gemeentelijke taken op basis van samenwerking waarbij de sturingselementen zoals transparantie, kaderstelling, verantwoording en controle voldoende gewaarborgd zijn.

6.4 Overige verbonden partijen

Paragraaf 7 | Grondbeleid

Inleiding

Het realiseren van gebiedsontwikkeling en volkshuisvesting vraagt om een op maat gesneden aanpak. Door de crisis op de woningmarkt en de krimp is het noodzakelijk dat we nieuwe inzichten ontwikkelen die aansluiten op deze situatie. In onze gemeente is de nieuwbouw van de sociale huur nagenoeg weggevallen. In de nieuwe aanpak gaan we kijken naar organische gebiedsontwikkeling, nieuwe verdienmodellen (pauzelandschappen) en validiteit van de woningbouwopgave uit de Woonvisie 2017-2022. De gemeente heeft daarin nog een volkshuisvestelijke taak. De andere taak vloeit voort uit Hoofdstuk 6.4 Wro, dat het kosten verhaal bij particuliere initiatieven verplicht stelt. De voorkeur van de wetgever gaat uit naar het aangaan van een (anterieure) overeenkomst. Indien dat niet lukt dient er een exploitatieplan opgesteld te worden. 

>

Paragraaf 8 | Gebiedsuitwerking

Inleiding

De maatschappij is altijd in beweging. De afgelopen jaren heeft de Rijksoverheid de beleidslijn ingezet van een terugtredende overheid naar meer initiatief voor de maatschappelijke instellingen. Deze paragraaf geeft inzicht in de veranderende maatschappelijke setting, om het voorzieningenniveau en de (fysieke en sociale) leefbaarheid ook in de toekomst in stand te houden. Inwoners krijgen en nemen steeds meer het initiatief voor de inrichting van hun eigen omgeving. Ook stimuleren we dorpen om meer samen te werken.

>

8.3 Financiën

bedragen x € 1.000
Financien paragraaf 8 Gebiedsuitwerking Realisatie 2017
Eenmalig
Dorpsbudgetten (2014-2017) 25
Aandachtsgebieden/Benedictus (2013-2016), restant € 38.000 te besteden in 2018 6
Aandachtsgebieden/Benedictus (2017-2019), restant € 574.00 te besteden in 2018/2019 278
Structureel
Dorpsbudgetten 38
Caparis (1.600 uur) 40
Cofinanciering project bottum-up Streekagenda/gebiedsgericht beleid 34

Paragraaf 9 | Duurzaamheid

Inleiding

In september 2017 heeft u de Versnellingsagenda Duurzaam Ooststellingwerf 2030 vastgesteld. Dit is een doorstart van het Milieubeleidsplan 2010-2016. Op basis van ervaringen en resultaten zijn de doelen en ambities aangescherpt. De focus ligt op de thema’s Duurzame Energie, Afval als Grondstof, Biobased Economy en Biodiversiteit. Samen met inwoners, bedrijven en instellingen stellen we per thema een uitvoeringsagenda op, waarin we de weg naar realisatie met u vastleggen. De focus van de eerste uitvoeringsagenda’s ligt op de periode 2017-2020. De uitvoeringsagenda’s bevatten subthema’s met concrete projecten en een financiële onderbouwing die aan u worden voorgelegd ter besluitvorming. De voortgang wordt gerapporteerd via de PenC-cyclus. We rapporteren dan niet alleen over de (project)resultaten, maar ook waar we staan in de verschillende benchmarks zoals de gemeentelijke duurzaamheidsindex, de Governance monitor duurzame gemeenten, de Klimaatmonitor, de monitor van de Omrin (OARS) en de Milieubarometer.

Voor Biobased Economy is al een uitvoeringsagenda vastgesteld. Voor de overige thema's stellen we een uitvoeringsagenda op aan het begin van 2018. 

>

9.1 Projecten

  • Voor de projecten goed voorbeeld doet goed volgen, perspectief op 0 en smart grid zijn met de netbeheerder Liander afspraken gemaakt over de versnelde uitrol van slimme meters in Ooststellingwerf. Liander is met deze uitrol in oktober 2017 begonnen. Verder zijn voor deze projecten 'monitoringskastjes' beschikbaar die in de toekomst in staat zijn te communiceren met 'slimme' apparaten. In het te ontwikkelen 'Smart Grid' stemmen vragers en aanbieders van duurzame energie hun energiebehoefte vervolgens op elkaar af. 
  • Stookt u voor uw buren/warmtescan project werkgroep 'Overtjonger'. Dit project loopt nog steeds en voorziet inwoners van warmtebeeldfoto's van de woning met een eventueel maatwerkadvies. 75 aanmeldingen.
  • Verduurzaming sportaccommodaties. Ook dit project loopt. Voor sportverenigingen is het mogelijk om een landelijke subsidie te ontvangen voor het treffen van maatregelen. Sport Fryslân is hier actief in. In onze gemeente hebben hier vier verenigingen aan meegedaan. 
  • Zonnepaneelvelden. In september 2017 is door de raad beleid vastgesteld voor zonnepaneelvelden in Ooststellingwerf. 
  • Het project Energie voor het MKB is in 2017 uitgevoerd met 14 deelnemende bedrijven. De afsluitende bijeenkomst vind plaats in het 1e halfjaar van 2018. 
  • Duurzaamheidsleningen. Er is veel belangstelling voor de financiering van duurzaamheidsmaatregelen in woningen. Op dit moment zijn er circa 50 informatieaanvragen. Waarvan het grootste deel ook een aanvraag heeft ingediend. 
  • Uitrol hondenpoepbeleid. Met de bewonerscommissie in Oosterwolde, en de plaatselijke belangen van Appelscha, Haulerwijk, en Haule zijn afspraken gemaakt over de plaatsing van afvalbakken voor hondenpoep. Oldeberkoop en Makkinga beraden zich nog. 
  • Fair trade
  • 17 duurzaamheidsdoelen. De Stichting Ontwikkelingssamenwerking Ooststellingwerf (SOO) heeft in 2017 met studentencoöperatie Sameen een onderzoek gedaan naar de uitwerking van 17 duurzaamheidsdoelen van de Verenigde Naties voor Ooststellingwerf. Het advies van SOO verwerken wij in de uitvoeringsagenda energie. 
  • Prestatieovereenkomsten met Woningbouwcorporaties. De prestatieovereenkomsten stellen wij  samen met de woningcorporaties jaarlijks in overeenstemming met de vastgestelde Woonvisie op. De afspraken zijn gerelateerd aan de gemeentelijke ambitie om in 2030 een energieneutraal Ooststellingwerf te realiseren.

9.2 Afval als grondstof

VANG-doelstellingen. Binnen de ambitie om in 2030 een duurzaam Ooststellingwerf te realiseren past het streven om als samenleving geen afval meer te produceren, maar grondstoffen die weer gebruikt kunnen worden voor nieuwe producten. Hiervoor zijn zogenaamde VANG-doelstellingen voor opgesteld, van afval naar grondstof. Met de bewonerscommissie in Oosterwolde en de plaatselijke belangen van Appelscha, Haulerwijk, en Haule zijn afspraken gemaakt over de plaatsing van afvalbakken voor hondenpoep. Oldeberkoop en Makkinga beraden zich nog. 

9.3 Biodiversiteit

In 2016 is hiermee gestart met de aanleg van een Stinzenflora in Elsloo. Op diverse locaties zijn bloemrijke mengsels aangelegd. In Ravenswoud is door een aangepast maaibeheer gewerkt aan een betere bescherming van reptielensoorten. In 2017 is dit opnieuw toegepast. Daarnaast maakt biodiversiteit deel uit van de versnellingsagenda en stellen we hiervoor een uitvoeringsagenda op.  

9.4 Financiën

bedragen x € 1.000
Financien paragraaf 9 Duurzaamheid Realisatie 2017
Eenmalig
Milieubeleidsplan gelden, overheveling naar 2018 € 85.000 69
Biobased Economy (beleidsadvisering en subsidies) 293
Voorbereidingskosten zonnepaneelvelden 11
Structureel
Millenniumdoelen en fair trade 0
Aanpak zwerfvuil - Himmelwike 7
Uitvoeringsplan extra aanpak zwerfafval (t/m 2022) 27
Bijdrage Afvalfonds Verpakkingen 2017 -30
Milieueducatie (lasten) 12
Milieueducatie (baten) -8
Opbrengst retributie zonnepaneelvelden -8