Meer
Publicatiedatum: 09-08-2017

Inhoud

Programma onderdelen

3. Uitgangspunten (inclusief lokale lasten)

Voorstellen (samengevat)

Voorstellen (samengevat)

Nieuw beleid
Een pas op de plaats te maken met voorstellen nieuw beleid voor de begroting 2018. Het overige nieuw beleid beperken we tot het uitvoeren van wettelijke taken en het doen van vervangingsinvesteringen.

Lonen en prijzen
Voor de loonontwikkeling uitgaan van 1½ % verhoging in 2018, inclusief een pensioenpremiestijging van 1%. De budgetten ramen we reëel in relatie tot de doelstelling en/of beoogd effect. De automatische prijscompensatie uitbestede werkzaamheden en leveranties passen we niet meer toe.

Prijsontwikkeling gesubsidieerde instellingen
De subsidies en bijdragen worden in 2018 verhoogd met 1½%.

Systematiek doorwerking lonen en prijzen in relatie tot de algemene uitkering
Voor het eerstvolgende begrotingsjaar (2018) wordt uitgegaan van lopende prijzen en daarna (2019 tot en met 2021) van constante prijzen.

Leningportefeuille
De leningenportefeuille wordt verder afgebouwd met behulp van een meerjaarlijks begrotingsoverschot. Het (jaarlijks) overschot wenden we aan voor een lagere herfinanciering van de bestaande leningen.

OZB, forensenbelasting en leges:
a.      een trendmatige verhoging van 1½ % wordt doorgevoerd;
b.      bij een algehele waardedaling c.q. waardestijging van de onroerende goederen wordt het tarief van OZB verhoogd dan wel verlaagd, om de begrote
          opbrengst te realiseren;
c.      75% kostendekking is voor de leges omgevingsvergunningen voor de periode 2016-2019 uitgangspunt.

Afvalstoffenheffing
Uitgangspunt is kostendekking. In hoofdstuk 2 ‘Meerjarige lokale lastenverlichting 2017–2021’ stellen we voor het vaste tarief afvalstoffenheffing per perceel ook na 2017 te egaliseren en langer op een laag niveau te houden door het bedrag voor meerjarige lokale lastenverlichting van € 828.000 hiervoor te bestemmen

Rioolheffing
Uitgangspunt is kostendekking. In hoofdstuk 2 ‘Meerjarige lokale lastenverlichting 2017–2021’ stellen we voor de tarieven gebruikers- en eigenarendeel rioolheffing met ingang van 2018 te verlagen met minimaal 7½ tot 10%.

Toeristenbelasting
De tarieven zijn vanaf 2014 bevroren op € 1,00 per overnachting. Het tarief 2018 blijft ongewijzigd.

Precariobelasting
Het tarief € 2,18 per m1, dat per 1 januari 2016 is bepaald, blijft van kracht. In de afbouwfase is geen tariefsverhoging meer mogelijk. Tot en met 2021 blijven we de geraamde opbrengst van € 1,232 mln. heffen.

3.1 Lonen en prijzen

3.1.1 Loonontwikkeling (incl. pensioenpremie)

Loonkostenontwikkeling 2018
Voor de begroting 2018 wordt als basis de situatie volgens de personeelsadministratie per april 2017 genomen, waarbij rekening wordt gehouden met de laatste ontwikkelingen op het gebied van ons personeelsbestand, de ontwikkelingen op het gebied van sociale lasten en de daarbij behorende loonsom.
De huidige Cao-gemeenten loopt van 1 januari 2016 tot 1 mei 2017, conform deze CAO zijn de salarissen per 1 januari 2016 met 3% en per 1 januari 2017 met 0,4% gestegen. Op dit moment is niet bekend wat de loonkostenontwikkeling na 1 mei 2017 wordt. In februari hebben de VNG (inzet: nullijn) en de vakbonden (inzet: 2½ %) de zgn. inzetbrieven Cao gemeenten gepubliceerd. Op dit moment kan moeilijk geschat worden of (en met welk percentage) een loonsverhoging voor 2018 reëel is. De pensioenpremiestijging zou zoals het ABP die nu voorziet, leiden tot een stijging van de pensioenpremiekosten voor de werkgever met 1% van de loonsom. Daarom vinden we het reëel rekening te houden met een structurele loonkostenontwikkeling in 2018 van +1½% per jaar. We stellen voor in te stemmen met deze loonkostenontwikkeling 2018.

Pensioenpremie ABP 2018/2019
Vanaf 1 januari 2017 stijgen de ABP-pensioenpremies met 2,6%. Dit leidt tot een stijging van de pensioenpremiekosten voor de werkgever met 1,4% van de loonsom. De pensioenpremieontwikkeling voor 2018 is nog niet vastgesteld, maar zeker is dat die ook zal drukken op de loonruimte voor 2018. De pensioenpremiestijging zoals het ABP die nu voorziet, zou leiden tot een stijging van de pensioenpremiekosten voor de werkgever met 1% van de loonsom.

3.1.2 Prijsontwikkeling lasten en baten

De prognose van de inflatie voor 2018 is 1,4 %. Het CPB voorspelt een ‘prijs bruto binnenlands product (BBP)’ eveneens van 1,4 % voor 2018 (bijgestelde prognose 2017: 1,2%). We stellen voor het inflatiecijfer af te ronden op 1½% en te bepalen via de prijsmutatie van het BBP, zoals deze in het Centraal Economisch Plan (CEP) van het Centraal Plan Bureau (CPB) wordt vastgesteld. Dit is in overeenstemming met de bestendigende gedragslijn van de afgelopen jaren. Het ministerie van BZK gebruikt deze cijfers voor de berekening van de prijsontwikkeling binnen de algemene uitkering uit het Gemeentefonds. Dit houdt in dat onze inkomsten van het Rijk, los van wijzigingen in het beleid, met dit percentage gaan stijgen.

3.1.3 Prijsontwikkeling prijsgevoelige budgetten

De budgetten ramen we reëel in relatie tot de doelstelling en/of beoogd effect. Het verhogen van budgetten, anders dan autonome correcties, zijn niet toegestaan, tenzij compensatie wordt gevonden binnen hetzelfde product en/of programma. Automatische prijscompensatie vindt niet meer plaats. Dit is een variant op de Zero Based Budget (ZBB) benadering (uitgangspunt is het bepalen van de minimale capaciteit en het minimale budget die nodig en efficiënt zijn om toekomstige doelen te kunnen realiseren). In 2017 (Programmabegroting 2017-2020) zijn we gestart met deze werkwijze. We stellen voor deze werkwijze te continueren.

3.1.4 Prijsontwikkeling gesubsidieerde instellingen

In de lijn van de afgelopen jaren stellen we voor een prijscompensatie voor 2018 voor de gesubsidieerde instellingen toe te passen. Concreet betekent dit dat het budget in 2018 verhogen met 1½ % (2017: 1%). De structurele kosten die hiermee gemoeid zijn bedragen ca € 45.000. Na 2018 zal opnieuw afgewogen moeten worden of de beschikbare budgetten in relatie staan tot de resultaatafspraken zoals die in de subsidieovereenkomsten zijn afgesproken. We stellen u voor in te stemmen met deze verhoging.

3.2 Algemene uitgangspunten

3.2.1 Nieuw beleid

Bij de Programmabegroting 2017-2020 is € 5,7 mio nieuw eenmalig beleid beschikbaar gesteld voor de komende vier jaar. De uitvoering van deze projecten/werkzaamheden zijn onlangs gestart en volop in uitvoering. De uitvoering hiervan legt een groot beslag op de beschikbare ambtelijke capaciteit. Daarnaast zijn in 2018 gemeenteraadsverkiezingen. De (nieuwe) coalitie zal naar verwachting in het op te stellen coalitieakkoord 2018 – 2022 budgettaire  wensen en de voornemens naar voren brengen. Daarnaast komt de budgettaire begrotingspositie vanaf 2019 op termijn onder druk.

3.2.2 Algemene uitkering uit het Gemeentefonds

De ramingen van de algemene uitkering uit het Gemeentefonds voor de jaren 2018 tot en met 2021 zijn berekend op basis van de Meicirculaire 2017. De uitkomsten van de Septembercirculaire worden niet in de primitieve begroting verwerkt.

Bij de berekening van de algemene uitkering gaan we voor het eerstkomende begrotingsjaar (2018) uit van zogenaamde lopende prijzen en voor de volgende jaren van zogenaamde constante prijzen. Bij lopende prijzen wordt rekening gehouden met loon- en prijsontwikkelingen en bij constante prijzen niet. We stellen voor deze beleidslijn de komende jaren te continueren.

3.2.3 Afbouw leningenportefeuille

De afgelopen jaren hebben we, aan de hand van actuele liquiditeitsprognoses, met succes gericht beleid gevoerd de leningenportefeuille af te bouwen. Dit kon mede door het inzetten van eenmalige baten. Jaarlijks zetten we een eventueel terugkerend begrotingsoverschot in, zodat we de leningportefeuille blijvend omlaag kunnen brengen. Dit leidde tot lagere financieringslasten. Per 1 januari 2017 is een bedrag van € 25,4 miljoen opgenomen in leningportefeuille tegen een gemiddeld rentepercentage van 2,15 %. Ultimo 2020 hebben we nog een schuld openstaan van € 17,3 miljoen Een gemiddelde jaarlijkse afname van meer dan € 2 miljoen per jaar. We stellen vast dat de gekozen aanpak, gericht op lange termijn, zeer succesvol is. Jaarlijks nemen de structurele financieringslasten af.

Bij de vaststelling van de Programmabegroting 2015-2018 is besloten dat 50% van het gerealiseerde rentevoordeel door lagere herfinanciering gebruikt kan worden om de leningenportefeuille af te bouwen. Op basis van een recente liquiditeitsprognose (maart 2017) concluderen we dat tot en met 2020 geen extra herfinanciering noodzakelijk is. Het gereserveerde bedrag van € 788.000 hoeft niet beschikbaar te blijven voor het verder afbouwen van onze leningenportefeuille. We stellen voor dit bedrag volledig in te zetten ter dekking van de budgettaire gevolgen (€ 1,3 mln. nadeel) invoering notitie Rente (BBV) per 2018.

Het uitgangspunt ‘50% van het gerealiseerde rentevoordeel door lagere herfinanciering te gebruiken om de leningenportefeuille af te bouwen’ kan voortaan komen te vervallen. Het uitgangspunt van een structureel en reëel in evenwicht zijn van de meerjarenbegroting (met een meerjaarlijks begrotingsoverschot) draagt, op kasbasis (meer ontvangsten dan uitgaven), grotendeels bij aan een positieve cashflow. Dus meer geld op de bank. Het overschot kunnen we aanwenden voor een lagere herfinanciering van de bestaande leningen. We stellen voor in te stemmen met deze bijgestelde beleidslijn.

3.2.4 Sociaal Domein

In de Programmabegroting 2017-2020 zijn de lasten en baten Sociaal Domein budgettair neutraal opgenomen. Wettelijke taken worden uitgevoerd binnen de middelen die het Rijk hiervoor beschikbaar stelt. Dit uitgangspunt hanteren we ook voor de Programmabegroting 2018-2021.

Uit de Decembercirculaire 2016 blijkt dat de budgetten de komende jaren ten opzichte van 2017 stapsgewijs met € 0,6 miljoen teruglopen naar € 13,6 miljoen in 2021. De reserve Sociaal Domein hebben we achter de hand om jaarlijkse schommelingen op te vangen. In de reserve is een bedrag van € 8,077 miljoen gereserveerd (betreft de stand van de reserve 27 maart 2018). Hierin zit nog een toevoeging van € 3,11 miljoen over 2016 ten aanzien van de Jeugdzorg. De feitelijke cijfers 2016 over de Jeugdzorg zullen bekend zijn (en behandeld worden) bij de vaststelling van de jaarstukken 2016 (juni 2017).

3.3 Gemeentelijke belastingen en heffingen

3.3 Gemeentelijke belastingen en heffingen

Een aantal gemeentelijke belastingen en heffingen (onroerendezaakbelasting, forensenbelasting en leges) worden trendmatig verhoogd met 1½ % (2017: 1%). Dit percentage komt overeen met de verwachte inflatie. De afvalstoffenheffing is afhankelijk van de kosten (100% dekking). De rioolheffing is gebaseerd op het Gemeentelijk Riolering Plan (GRP 2015-2019).

3.3.1 OZB

Voor 2016 en 2017 is de opbrengst OZB niet verhoogd. Het advies is voor 2018 een trendmatige verhoging van 1½ % te hanteren; dit percentage komt overeen met de prijs BBP.

Voor de OZB gelden geen maximale tarieven gelden, echter er is wel een beperking. Dat is de zogenaamde macronorm die het Rijk vaststelt. De gezamenlijke gemeenten mogen die norm niet overschrijden op straffe van een korting op het Gemeentefonds. De macronorm is afhankelijk van de prijsontwikkeling. Voor het eerst in jaren blijft de gemiddelde stijging van de OZB in 2017 binnen de macronorm van 1,97% (2016: 1,57%). Voor 2018 is dit percentage nog niet bekend.

3.3.2 Forensenbelasting

De hoogte van de belastingaanslag van de forensenbelasting wordt bepaald aan de hand van de WOZ waarde zoals vastgesteld op grond van de Wet WOZ. We stellen voor deze belasting voor 2018 trendmatig met 1½ % te verhogen.

3.3.3 Precariobelasting

Tarief precariobelasting 2017 en volgende jaren
Bij de vaststelling van de Kaderbrief 2016-2019 is besloten dat de dekking van de financieringslasten van de eenmalige bestedingen precariogelden (€ 2 miljoen) grotendeels gedekt worden door met ingang van 2016 het tarief precariobelasting jaarlijks (2016 t/m 2019) te verhogen met € 0,05. De structurele geraamde opbrengst per jaar is € 28.000. Het tarief 2016 is ook met € 0,05 verhoogd. Op 21 maart 2017 heeft de Eerste Kamer ingestemd het wetsvoorstel ter wijziging van de precariobelasting op nutsbedrijven. Als gevolg hiervan kunnen de voorgenomen tariefsverhogingen precariogelden voor de periode 2017 t/m 2019 van € 0,05 per jaar geen doorgang meer vinden. De budgettaire gevolgen verwerken we in de Programmabegroting 2018-2021.


Afschaffing precariobelasting per 1 juli 2017
Het kabinet wijzigt de precariobelasting op nutsbedrijven per 1 juli 2017 (dat deel voor kabels en leidingen voor de nutsbedrijven gaat onder de vrijstellingen vallen). Voor gemeenten die op 10 februari 2016 een verordening met tarief hadden vastgesteld voor precariobelasting op kabels en leidingen geldt een overgangstermijn tot 1 januari 2022. Dat geldt ook voor Ooststellingwerf. Het tarief wat per 1 januari 2016 is bepaald blijft van kracht. In de afbouwfase is geen tariefsverhoging meer mogelijk. We stellen voor elk jaar tot en met 2021 de geraamde opbrengst van € 1,232 miljoen te blijven heffen tegen het door u vastgestelde tarief van € 2,18 per m1.

3.3.4 Toeristenbelasting

Op 19 oktober 2010 heeft u de tarieven toeristenbelasting voor 2011-2014 vastgesteld. De hoogte van de toeristenbelasting vanaf 2014 is bevroren op € 1,00 per persoon per nacht. Het tarief wijkt af van het advies van het Recreatieschap Drenthe. U hebt op 23 juni 2015 besloten (raadsvoorstel Toeristenbelasting 2016) het tarief voor 2016 niet te verhogen. Het tarief voor 2017 is ook gelijk gebleven.

Het recreatieschap heeft in 2016 geadviseerd een tariefstijging per jaar van € 0,05 voor de komende vier jaar, vanaf 2016 van € 1,05 pp/per nacht. Hierbij is het advies ook uit te gaan van een maximale bandbreedte van 20% van het geadviseerde tarief. Het geadviseerde tarief voor 2018 is € 1,15 met een bandbreedte van € 0,23. Met het huidige tarief van € 1,00 blijft Ooststellingwerf binnen de bandbreedte.

Op dit moment is er daarom geen aanleiding om het tarief voor 2018 te verhogen. We stellen voor het tarief voor 2018 wederom vast te laten stellen op € 1,00 per persoon / per nacht.

3.3.5 Rioolheffing en Afvalstoffenheffing

Bij de vaststelling van de Programmabegroting 2017-2020 is besloten in 2017, bij de behandeling van de Kaderbrief 2018-2021, verschillende scenario’s ‘verlaging lokale lastendruk’ met u door te nemen. Bij de begroting 2017 is € 950.000 beschikbaar gesteld voor lastenverlichting voor de rioolheffing op het gebruikersdeel (€ 490.000) en voor de afvalstoffenheffing (€ 460.000).

Rioolheffing
Op 17 maart 2015 is het GRP 2015-2019 door u vastgesteld. Uit het plan blijkt dat de rioolheffing voor een periode van 10 jaar niet hoeft te stijgen met meer dan een trendmatige verhoging. Over vijf jaar wordt het Rioleringsplan geactualiseerd en een nieuw kostendekkenheidsplan opgesteld. U hebt op 20 december 2016 besloten € 122.000 te onttrekken aan de reserve ‘Lastenverlichting afval en riool’ voor verlaging van de tarieven gebruikersdeel rioolheffing 2017.
In hoofdstuk 2 ‘Meerjarige lokale lastenverlichting 2017–2021’ stellen we voor de tarieven gebruikers- en eigenarendeel rioolheffing met ingang van 2018 te verlagen met minimaal 7½ tot 10%. Voor forse toekomstige investeringen (vanaf 2029) kan vanaf 2018 jaarlijks een bijdrage in de voorziening Riolering gestort worden. Hierdoor is het niet/minder nodig om over een aantal jaren het tarief (meer dan trendmatig) te laten stijgen.

Afvalstoffenheffing
Op 20 december 2016 hebt u voor 2017 ingestemd met een vast tarief afvalstoffenheffing van € 96 en de lediging van GFT-afval constant te houden op € 1. De werkelijke stand van de reserve Lastenverlichting afval en riool op 31-12-2016 is € 500.000. In 2017 kan nog eenmaal ca. € 213.000 onttrokken worden om het vaste tarief te bevriezen op € 96. In de reserve resteert dan een bodembedrag van € 287.000 (= ± minimumniveau).
In hoofdstuk 2 ‘Meerjarige lokale lastenverlichting 2017–2021’ stellen we voor het vaste tarief afvalstoffenheffing per perceel ook na 2017 te egaliseren en langer op een laag niveau te houden door het bedrag voor meerjarige lokale lastenverlichting hiervoor te bestemmen. In totaal is hiervoor € 828.000 beschikbaar (resterende deel lastenverlichting van de rioolheffing van € 368.000 en het deel lastenverlichting voor de afvalstoffenheffing van € 460.000). Het tarief voor lediging GFT-afval blijft ongewijzigd op € 1 voor een periode van vier jaar (2018 tot en met 2021).

3.3.7 Leges

Leges omgevingsvergunningen
Op 26 januari 2016 hebt u besloten de nota Bouwleges gemeente Ooststellingwerf vast te stellen en daarbij in te stemmen met een kostendekking van 75% voor de bouwleges voor de periode van 2016-2019. In 2016 komen we uit op een kostendekking van 73%. In 2017 (OWO-VTH breed) zal een algehele evaluatie en mogelijke bijstelling van de legestarieven plaatsvinden op basis van de nieuwe inzichten. We houden hierbij rekening met de toekomstige ontwikkelingen. Dit heeft effect op de kosten die toe te rekenen zijn aan de bouwleges. Ook worden de randvoorwaarden en de wettelijke kaders van de toerekening van de kosten aan de bouwleges steeds duidelijker door vernieuwde wetgeving en rechterlijke uitspraken.

We stellen voor bij de vaststelling van de leges omgevingsvergunning voor de periode 2016-2019 nu uit te gaan van 75% kostendekking.


Overige legestarieven
De legestarieven zijn afhankelijk van de tijdsbesteding, de maximale tarieven, de loonkosten en andere directe kosten (in principe ook 100% kostendekking).