Meer
Publicatiedatum: 09-08-2017

Inhoud

Programma onderdelen

1. Meerjarenperspectief 2018 - 2021

1.1 Inleiding

1.1 Inleiding

We liggen op koers bij de realisering van ons coalitieakkoord 2014-2018 ‘Samen Voortbouwen’. Het jaar 2017 is het laatste volledige begrotingsjaar van deze coalitie. Op 21 maart 2018 vinden de verkiezingen voor de gemeenteraad plaats.

Begrotingsruimte
De begrotingsruimte voor de periode 2017-2020 is structureel en reëel in evenwicht. Na publicatie van de September- en Decembercirculaire 2016 van de algemene uitkering uit het Gemeentefonds is het gepresenteerde begrotingsperspectief naar boven bijgesteld. Deze uitkomst is positiever dan onze verwachting, zoals we die vorig jaar aan u hebben gepresenteerd. In paragraaf 1.2.7 ‘Begrotingsperspectief 2018-2021’ presenteren we de (structurele) budgettaire effecten, zoals die in de paragrafen 1.2.2 ‘Gefaseerde afbouw opbrengst precariobelasting en 1.2.3 ‘Budgettair gevolgen invoering notitie Rente (BBV) per 2018’ zijn verwoord. De structurele begrotingsruimte is hierdoor voor de komende vier jaar behoorlijk naar beneden bijgesteld.

€ 5,7 miljoen
Vanuit de visie voor Ooststellingwerf heeft u bij de Programmabegroting 2017-2020 € 5,7 miljoen nieuw eenmalig beleid beschikbaar gesteld voor de komende vier jaar. Een bedrag van € 4,734 voor nieuwe eenmalige bestedingen en € 950.000 voor meerjarige lokale lastenverlichting. Hierbij hebben we ons gericht op de thema’s werkgelegenheid en leefbaarheid. De projecten en bestedingen nieuw eenmalig beleid zijn onlangs gestart en zijn volop in uitvoering. O.a. het uitvoeringsprogramma Omgevingswet, het uitvoeringsprogramma Biobase Economy, het jubileum 500 jaar Stellingwerven, de breedband internetaansluiting en het project Mader.

Belastingen
Bij de behandeling van de Programmabegroting 2017-2020 hebben we u toegezegd dat we u bij de Kaderbrief 2018-2021 informeren over de wijze van invulling van de meerjarige lokale lastenverlichting € 950.000. Deze lastenverlichting is vooral gericht op verlaging van de rioolheffing en de afvalstoffenheffing. In hoofdstuk 2 ontvangt u hierover voorstellen voor de periode 2017-2021. Verder hebben we in de programmabegroting aangegeven dat we komen met een uitgewerkt voorstel voor een gefaseerde afbouw van de opbrengst precariobelasting. In dit hoofdstuk (paragraaf 1.2.2) vindt u een nadere uitwerking.

Programma’s
Bij de Kaderbrief 2017-2020 en de Programmabegroting 2017-2020 zijn de programma’s geactualiseerd (inclusief € 5,7 miljoen nieuw eenmalig beleid). Het huidige meerjarenperspectief per programma (mede vanuit de visie Ooststellingwerf: thema’s werkgelegenheid en leefbaarheid) is nog steeds actueel. Daarom kan naar onze mening een actualisatie van de programma’s (de 4 W vragen) bij de kaderbrief achterwege blijven. De actualisatie van de programma’s en thema’s pakken we op bij de presentatie van de Programmabegroting 2018-2021.
In hoofdstuk 3 leggen we de uitgangspunten ter vaststelling aan u voor om de begrotingscyclus verder uit te kunnen voeren. De afspraken uit het coalitieakkoord zijn hierbij leidend.

1.2 Stand van zaken

1.2.1 Bijgestelde begrotingsperspectief 2017-2020

Voor 2017 hebt u een sluitende begroting zonder lastenverzwaring vastgesteld. Het gepresenteerde begrotingsperspectief 2017-2020 in de programmabegroting is na publicatie van de September- en Decembercirculaire bijgesteld. Medio januari hebt u hierover een brief ontvangen. Het bijgestelde begrotingsperspectief 2017-2020 is in deze brief gepresenteerd. Het begrotingsperspectief voor de hele planperiode van vier jaar is structureel positief.

      bedragen x € 1.000 
Begrotingsperspectief 2017 - 2020 Begroting 2017 MJB 2018 MJB 2019 MJB 2020
Voorgesteld begrotingsperspectief 2017 - 2020 na Septembercirculaire 2016 732 1.236 1.418 1.195
Uitkomst Decembercirculaire 2016 239 101 97 115
Compensaties Decembercirculaire 2016 -256 -119 -114 -114
Totaal begrotingsperspectief 2017 - 2020 na Decembercirculaire 2016 715 1.218 1.401 1.196

 

1.2.2 Gefaseerde afbouw opbrengst precariobelasting

Het kabinet wijzigt de precariobelasting voor nutsbedrijven per 1 juli 2017 (dat deel voor kabels en leidingen voor de nutsbedrijven gaat onder de vrijstellingen vallen). Voor gemeenten die op 10 februari 2016 een verordening met tarief hadden vastgesteld voor precariobelasting op kabels en leidingen geldt een overgangstermijn tot 1 januari 2022. Dat geldt ook voor Ooststellingwerf. We stellen voor elk jaar tot en met 2021 de geraamde opbrengst van € 1,232 miljoen te blijven heffen tegen het door u vastgestelde tarief van € 2,18 per m1. De afschaffing heeft ook gevolgen voor de voorgenomen tariefsverhogingen precariogelden voor de periode 2017 tot en met 2019 van € 0,05 per jaar. De verhogingen kunnen geen doorgang meer vinden. De (meerjaren)begroting 2017-2020 wijzigen we bij de eerste marap 2017.

Het besluit tot wijziging heeft verstrekkende gevolgen voor het begrotingsperspectief vanaf 2022. Daarom stellen we voor tijdig budgettair te anticiperen op het wegvallen van € 1,232 miljoen. We stellen een jaarlijkse stapsgewijze afbouw van de structurele opbrengst voor. De structurele opbrengst precariobelasting zetten we vanaf 2017 tot en met 2021 in vijf stappen om naar incidenteel geld. In 2017 starten we met € 246.000. Jaarlijks vermeerderen we dit bedrag met € 246.000, oplopend naar € 1,232 miljoen in 2021.

Jaarlijks (tot en met 2021) kunt u deze middelen inzetten voor incidentele bestedingen. We verwachten dat we met deze geleidelijke afbouw het forse budgettaire nadeel binnen ons structurele begrotingsperspectief 2017-2021 kunnen opvangen.

1.2.3 Budgettaire gevolgen invoering notitie Rente (BBV) per 2018

In 2016 is besloten om de voorschriften Besluit Begroting en Verantwoording (BBV) te vernieuwen. Deze vernieuwingen zijn – op één na – verwerkt in de Programmabegroting 2017-2020. De vernieuwing van het onderdeel Rente is nog niet verwerkt in de begroting. Met ingang van de begroting 2018 moeten gemeenten volgens het BBV de rente omslaan over de taakvelden met behulp van een zgn. renteomslagpercentage (ROP). Een en ander staat beschreven in de notitie Rente 2017 van commissie BBV.

Doelstelling van deze notitie is het bevorderen van een eenduidige handelwijze met betrekking tot rente door gemeenten (harmonisering), stimuleren dat gemeenten de (verwachte) werkelijke rentelasten opnemen in de begroting en de jaarstukken en het eenduidig inzichtelijk maken van de wijze waarop de gemeenten met rente zijn omgegaan (transparantie).

Sinds een jaar of tien middelen we de rente niet meer, maar rekenen we per investering de geldende dagrente van de BNG toe. Het ROP is een gemiddeld percentage. Dit omslagpercentage (huidige berekening is 0,6%) ligt vele malen lager dan het percentage waar we mee rekenden (gemiddeld 4,73%) (m.n. in de riolering).

Deze verplichte nieuwe methode met behulp van een ROP heeft voor onze gemeente een grote financiële impact voor de toe te rekenen rente en de afschrijvingslasten. Vooral ten aanzien van de doorberekening van rentelasten aan investeringen van kostendekkende activiteiten (afval en met name riool) en onderwijsinvesteringen heeft dit grote budgettaire gevolgen. Deze investeringen zijn in onze boekhouding opgenomen op annuïteitbasis. In hoofdstuk 2 ´Meerjarige lokale lastenverlichting 2017-2021´ komen we hierop bij het onderdeel lastenverlichting rioolheffing op terug.

We hebben te maken met een nadelig resultaatseffect van € 1,3 miljoen. € 935.000 nadeel door de wijziging in de toe te rekenen rente en € 403.000 nadeel doordat we bij de annuïtaire afschrijvingen rekening moeten houden met het ROP.

We kunnen dit voor een groot deel opvangen door een structureel voordeel van € 526.000 naar aanleiding van de uitkomsten van de Jaarstukken 2016. Voor het verder afbouwen van onze leningenportefeuille is een bedrag van € 788.000 beschikbaar. Dit bedrag hoeft niet beschikbaar te blijven. We stellen voor beide bedragen volledig in te zetten ter dekking van de budgettaire gevolgen (€ 1,3 mln. nadeel) invoering notitie Rente (BBV) per 2018.

1.2.4 Herziening financiële verhoudingen Gemeentefonds

In de Mei- en Septembercirculaire 2016 zijn we geïnformeerd over het traject herziening financiële verhoudingen waartoe in het Bestuurlijk overleg financiële verhoudingen (Bofv) van 28 april 2016 is besloten. Het herzieningstraject richt zich op de financiële verhouding tussen het Rijk en de gemeenten en specifiek op de verdeling van het gemeentefonds. De ontwikkeling van de algemene uitkering uit het Gemeentefonds wordt voor een belangrijk deel bepaald door de ontwikkeling van de rijksuitgaven. Volgens de normeringssystematiek (trap op trap af) hebben wijzigingen in de rijksuitgaven direct invloed op de omvang van de algemene uitkering.

Hierbij krijgen in ieder geval de volgende sub thema’s een plek:

  • faciliteren van regionaal-economische ontwikkelingen;
  • prikkelwerking in de verdeling;
  • vereenvoudigen van de verdeling.

Onderzocht wordt of aanpassingen in de uitgangspunten van de verdeelsystematiek nodig zijn, zoals deze nu gelden volgens de Financiële-verhoudingswet. Een aantal varianten wordt uitgewerkt waardoor inzicht ontstaat in de consequenties van het hanteren van verschillende uitgangspunten. Hierbij wordt ook de samenhang met het lokaal belastinggebied bezien. De voor- en nadelen van deze varianten worden in kaart gebracht (zowel kwalitatief als kwantitatief) zonder hieraan een politiek waardeoordeel te koppelen. De analyse mondt uit in een rapportage die in het voorjaar van 2017 wordt aangeboden aan de Tweede Kamer.

1.2.5 Weerstandsvermogen en risicobeheersing

Het weerstandsvermogen is het vermogen om tegenvallers op te vangen zonder dat de continuïteit in gevaar komt. Het gaat om de relatie tussen de (financiële) weerstandscapaciteit en alle risico’s die de gemeente loopt en die niet zijn afgedekt door voorzieningen en verzekeringen. De benodigde weerstandscapaciteit wordt vastgesteld aan de hand van een risico-inventarisatie.

De risico’s zijn grotendeels in de begroting afgedekt. De benodigde weerstandscapaciteit bedraagt bijna € 2 miljoen (Jaarstukken 2016). De beschikbare weerstandscapaciteit is per 31 december 2015 17,8 miljoen. Dit bestaat uit de algemene reserve van € 9,6 miljoen (exclusief het bodembedrag van € 3 miljoen) en de bestemmingsreserves van € 8,2 miljoen (totaal bestemmingsreserves € 15,3 miljoen minus reserve sociaal domein € 3,8 miljoen en algemene reserve grondexploitatie € 3,3 miljoen). De beschikbare weerstandscapaciteit is per 31 december 2015 17,8 miljoen. Dit bestaat uit de algemene reserve van € 9,6 miljoen (exclusief het bodembedrag van € 3 miljoen) en de bestemmingsreserves van € 8,2 miljoen (totaal bestemmingsreserves € 15,3 miljoen minus reserve sociaal domein € 3,8 miljoen en algemene reserve grondexploitatie € 3,3 miljoen).De beschikbare weerstandscapaciteit is per 31 december 2016 17,9 miljoen. Dit bestaat uit de algemene reserve van € 12,7 miljoen (exclusief het bodembedrag van € 3 miljoen) en de bestemmingsreserves van € 5,2 miljoen (totaal bestemmingsreserves € 16,5 miljoen minus reserve sociaal domein € 8,1 miljoen en algemene reserve grondexploitatie € 3,2 miljoen). Het weerstandsvermogen is voldoende om de risico’s af te dekken.

Naast de beschikbare weerstandscapaciteit van € 17,9 miljoen is er nog de algemene buffer van € 3 miljoen (als onderdeel van de algemene reserve). Deze beide gecombineerd maakt dat in relatie tot de omvang van de activiteiten er voldoende buffer aanwezig is voor het opvangen van de risico’s.

1.2.6 Resultaat jaarstukken 2016

De jaarrekening 2016 sluit met een positief saldo na bestemming van € 2,662 miljoen. Een bedrag van € 361.000 is specifiek bestemd voor een tweetal onderwerpen, milieubeleid en vergunninghouders. Bij de behandeling van de Jaarrekening 2016 stellen we voor € 2,301 miljoen toe te voegen aan de Algemene reserve.

De verwachte stand van de Algemene reserve per 31 december 2017 is € 17,959 miljoen (inclusief het resultaat Jaarrekening 2016 van € 2,301 miljoen). In dit bedrag is opgenomen € 3 miljoen als bodembedrag en € 1,961 miljoen voor de benodigde weerstandscapaciteit. Daarnaast wordt een meerjarig beslag

(2017–2020) gelegd op de Algemene reserve van totaal € 7,235 miljoen. Het minimale niveau van de Algemene reserve voor de komende jaren is € 12,196 miljoen. Een bedrag van € 5,763 is vrij besteedbaar.

1.2.7 Begrotingsperspectief 2018-2021

De (structurele) budgettaire effecten, zoals die hierboven in de paragrafen 1.2.2 ‘Gefaseerde afbouw opbrengst precariobelasting en 1.2.3 ‘Budgettair gevolgen invoering notitie Rente (BBV) per 2018’ zijn verwoord, leiden tot het volgende begrotingsperspectief 2018-2021:

      bedragen x € 1.000 
  MJB 2018 MJB 2019 MJB 2020 MJB 2021*
Begrotingsperspectief na Decembercirculaire 2016 1.218 1.401 1.196 1.196
Gefaseerde afbouw opbrengst precariobelasting -492 -738 -984 -1.230
Nadeel afschaffing precario voorgenomen tariefsverhogingen vanaf 2017 -56 -84 -84 -84
Budgettaire gevolgen invoering notitie Rente per 2018 (BBV):        
Nadeel rente en afschrijvingen -1.333 -1.333 -1.333 -1.333
Inzet structureel budget herfinanciering 788 788 788 788
Inzet structurele voordelen n.a.v. uitkomsten jaarrekening 2016 526 526 526 526
 Bijgesteld begrotingsperspectief 2018 - 2021 651 560 109

-137

*)Het perspectief voor 2021 is nog niet bekend. Voorlopig gaan we uit van hetzelfde bedrag van de raming 2020.

De structurele begrotingsruimte voor de komende vier jaar is ten opzichte van het eerder gepresenteerde begrotingsperspectief 2017-2020 door invoering van nieuwe wetgeving (nieuwe BBV – rente en wijziging precariobelasting op nutsbedrijven) behoorlijk naar beneden bijgesteld. De begrotingsruimte is tot en met 2020 structureel positief. Echter vanaf jaarschijf 2020 is komt de begrotingsruimte onder druk te staan. Het bijgestelde begrotingsperspectief 2018-2021 is het budgettaire vertrekpunt bij het opstellen van de Programmabegroting 2018-2021.

Vanuit dit begrotingsperspectief bezien stellen we voor het (financiële) uitgangspunt voor deze kaderbrief en Programmabegroting 2018-2021 ten opzichte van de begroting 2017-2020 niet bij te stellen. De jaarschijven 2018 en 2019 moeten structureel en reëel in evenwicht zijn. Het is gewenst dat de jaarschijven 2020 en 2021 eveneens structureel en reëel in evenwicht zijn. De economische vooruitzichten voor 2017 en volgende jaren zijn positief. Echter onzekere rijksfinanciën (nieuw kabinet) en veranderende spelregels binnen het sociale domein kunnen behoorlijke schommelingen veroorzaken.

Bij de Programmabegroting 2017-2020 is € 5,7 miljoen nieuw eenmalig beleid beschikbaar gesteld voor de komende vier jaar. De uitvoering van deze projecten/werkzaamheden zijn gestart en volop in uitvoering. De uitvoering hiervan legt een behoorlijk beslag op de beschikbare ambtelijke capaciteit. Daarnaast zijn in 2018 gemeenteraadsverkiezingen. De (nieuwe) coalitie zal naar verwachting in het op te stellen coalitieakkoord 2018 – 2022 budgettaire wensen en de voornemens naar voren brengen. Daarom stellen we voor een pas op de plaats maken met voorstellen nieuw beleid. Het bestaande en breed gedragen behoedzame financiële beleid is ook de komende jaren ons uitgangspunt. We blijven ons inzetten om een solide financiële koers vast te houden.

 

1.3 Overige ontwikkelingen

1.3.1 Continuering Fonds Ooststellingwerf

Het fonds Ooststellingwerf is succesvol. Het doel van de regeling is het ondersteunen van goede initiatieven die de leefbaarheid in de gemeente bevorderen. Dit jaar vindt de uitgifte plaats van de 3e tranche. Dit is de laatste tranche. Naar verwachting is dan € 1 miljoen besteed. Er zijn bij de 1e en 2e tranche veel meer aanvragen binnengekomen dan verwacht. De begeleiding van aanvragers is intensief, waardoor er kwalitatief goede projecten zijn ingediend.

Gezien het succes en enthousiasme van de inwoners van onze gemeente over het fonds Ooststellingwerf stellen we voor het fonds Ooststellingwerf te continueren voor de periode 2018-2021. We wachten eerst de evaluatie af alvorens we komen met een voorstel.

1.3.2 Overheidsparticipatie

Afgelopen jaren heeft de gemeente Ooststellingwerf veel ervaring opgedaan met vormen van burgerparticipatie. Inmiddels willen we nog een stap verder gaan door actief in te zetten op overheidsparticipatie. In het coalitieakkoord staat: ‘Deze coalitie staat een college voor dat dicht bij alle burgers en bedrijven van de gemeente staat. Het is belangrijk een werkwijze en beleid te hanteren welke de burgers, de inwoners van de gemeente Ooststellingwerf, vroegtijdig de gelegenheid geven invloed uit te kunnen oefenen op het gemeentelijk handelen. Burgerparticipatie is een belangrijk uitgangspunt voor dit college’.

Maatschappelijke vraagstukken zijn vaak te ingewikkeld om

1.3.3 Invoering Diftar+

Voor het realiseren van de VANG-doelstelling (Van Afval Naar Grondstof) in 2020 moeten we naar 100 kg te verbranden restafval (inclusief grof huishoudelijk restafval, bouw en sloop afval) per inwoner, per jaar en 75% hergebruik.

In 2016 werd via de Sortibak 173 kg te verbranden restafval per inwoner aangeboden. Deze 173 kg aangeboden restafval bestond voornamelijk uit afval dat niet in de Sortibak thuishoort (te weten 69 kg Gft-afval; 12 kg grof huishoudelijk afval; 8 kg textiel, 6 kg oud papier en 5 kg verpakkingsglas). Deze afvalstromen, ‘grondstoffen’ verlaten hierdoor de Kringloop. Een belangrijke taak is daarom onze inwoners nog meer te stimuleren deze afvalstromen, zoals Gft afval, beter gescheiden aan te bieden.

Samen met Omrin en de Diftar gemeenten Heerenveen en Opsterland onderzoeken we op dit moment naar wijziging/ uitbreiding van de huidige Diftar afrekensystematiek naar frequentie en gewicht voor de Sortibak (Diftar+). Met het afrekenen per aanbieding en per kg geven we de inwoners een prikkel de zwaardere stromen, en die niet in de Sortibak horen, beter gescheiden aan te bieden. De verwachting is dat Gft afval dan wel in de Biobak wordt aangeboden, omdat in eerste instantie voor de Biobak alleen frequentie wordt gerekend (€1,-/ keer). De inwoner krijgt zo nog meer invloed op zijn factuur Afvalstoffenheffing en gaat net als de gemeente (bij Omrin) aangeboden restafval afrekenen op gewicht.

Voor het realiseren van de VANG-doelstellingen in 2020 hebben we het voornemen om Diftar+ (frequentie en gewicht) in de loop van 2018 in te voeren. Een uitgewerkt voorstel hierover leggen we dit jaar aan u voor, waarbij ook de budgettaire consequenties uitgewerkt zijn.

1.3.4 Sociaal Domein (inclusief Gebiedsteam)

n de gehele keten binnen het Sociaal Domein zijn in 2016 maatregelen in gang zijn gezet om te komen tot verbetering van de informatievoorziening, de controlemogelijkheden en de communicatie tussen ketenpartners. In 2017 verwachten we hiervan profijt te hebben, waardoor de (financiële) contouren binnen het sociale domein nog beter zichtbaar zullen zijn. We gaan nog betere zorg leveren door bij de inkoop en aanbesteding van de zorgaanbieders vanaf 2018 te werken met resultaatafspraken en arrangementen.

Uit de Decembercirculaire 2016 blijkt dat de budgetten de komende jaren ten opzichte van 2017 stapsgewijs met € 0,6 miljoen teruglopen naar € 13,6 miljoen in 2021.

Sociaal Domein 2017 2018 2019 2020 2021
December circulaire 2016          
AWBZ naar WMO 3.976 3.907 3.860 3.851 3.844
Jeugzorg 5.825 5.783 5.788 5.803 5.834
Participatiewet 4.711 4.394 4.162 3.974 3.888
Totaal 14.512 14.084 13.810 13.628 13.566

Zoals gezegd verwachten we in 2017 een beter inzicht te hebben in de financiële contouren binnen het Sociaal Domein. In deze periode vraagt de beheersing van de kosten in het Sociaal Domein veel inzet op monitoring en risicobeheersing. De reserve Sociaal Domein hebben we achter de hand om jaarlijkse schommelingen op te vangen.

Begin 2017 hebben we u geïnformeerd over de stand van zaken van het Gebiedsteam Ooststellingwerf. Uiterlijk eind 2017 presenteren we een voortgangsrapportage. In deze rapportage verwoorden we de ontwikkelingen en brengen we een advies uit over de volgende te nemen stappen in de doorontwikkeling van het Gebiedsteam en het team Samenleving van de afdeling Mens & Ontwikkeling.

1.3.5 Nieuwe Omgevingswet

Het Kabinet is in 2011 begonnen met een grote stelselherziening van het omgevingsrecht. Met deze stelselherziening willen zij met eenvoudigere en gemakkelijker te begrijpen regels het omgevingsrecht voor iedereen eenvoudiger en sneller maken.

Het omgevingsrecht reikt verder dan alleen maar het traditionele fysieke domein van de ruimtelijke ordening. De Omgevingswet heeft ook gevolgen voor veel bestaande gemeentelijke verordeningen, beleidsregels, nadere regels en besluiten. Daardoor vergt het voor gemeenten een integrale benadering van vraagstukken die zich voordoen in het fysieke domein.

De Eerste Kamer stemde op 22 maart 2016 in met de Omgevingswet. Hoewel de voorgenomen inwerkingtreding in 2019 nog ver weg lijkt, is het zaak om nu al aan de slag te gaan: kennis vergaren, meedenken, vaardigheden opdoen, praktijkervaring opdoen en de organisatie voorbereiden op wat komen gaat. U hebt bij de Programmabegroting 2017 – 2020 ruimte vrij gemaakt voor het implementeren van de Omgevingswet, in totaal gaat het om € 400.000. Met deze middelen kunnen we concreet uitvoering geven aan de implementatie. Daarvoor stellen we een Uitvoeringsprogramma op. In dit Uitvoeringsprogramma worden drie programmalijnen benoemd: Informatie & Automatisering, Personeel & Organisatie en Beleid & Uitvoering Omgevingswet. Deze worden zijn uitgewerkt in uitvoeringsgerichte acties voor een periode van 2017-2020. Voor de zomer 2017 ontvangt u een voorstel.

1.3.6 Caparis – overgang Sociale Werkvoorziening medewerkers

Op 28 februari 2017 hebben we besloten uitvoering te geven aan de herstructurering van Caparis NV, zoals overeengekomen in de Gemeenschappelijke regeling Sociale werkvoorziening Fryslân. Tien groenmedewerkers zijn per 1 april 2017 naar de gemeente overgekomen. Ze worden door de GR SW Fryslân aan ons om niet uitgeleend. Het voornemen is om per 1 januari 2018 nog een aantal medewerkers over te nemen. Via een groeimodel willen we toewerken naar een uitbreiding. Daarbij denken we aan een overname van de andere groenmedewerkers, de schoonmakers, de medewerkers post en de SW medewerkers die een detacheringscontract hebben en werkzaam zijn voor onze gemeente. Inclusief de eerste tien groenmedewerkers betreft het dan uiterlijk 1 januari 2019 in totaal circa 40 SW medewerkers. Ook voor deze medewerkers maken we een goed plan van aanpak voor wat betreft de plekken waar men kan worden ingezet. Dit is wel mede afhankelijk van de herstructureringsplannen.

1.3.7 Informatiebeveiliging en Privacy

We maken steeds meer en steeds vaker gebruik van geautomatiseerde systemen. Ook is er sprake van toenemende (digitale) informatie-uitwisseling tussen overheidsorganisaties onderling en met burgers en bedrijven door ontwikkelingen zoals internet en telewerken. We moeten hierbij rekening houden met de privacyregels. Burgers, bedrijven, instellingen moeten de overheid kunnen vertrouwen en hebben er recht op te weten wie welke gegevens verzamelt en waarvoor deze gebruikt worden. Het is daarom van groot belang dat gegevens alleen onder strikte voorwaarden gebruikt worden en goed beveiligd zijn tegen onbevoegd gebruik.

Informatieveiligheid en privacy zijn thema’s die binnen onze gemeente doorlopend aandacht verdienen. Informatieveiligheid gaat om beschikbaarheid, vertrouwelijkheid en integriteit. Samengevat: Werkt het? Kan er niemand bij de informatie die daar niet bij mag? Zijn de gegevens juist en volledig? Privacy gaat over de zorgvuldige omgang met persoonlijke gegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van onze inwoners. Informatieveiligheid en privacy hebben meer te maken dan alleen met techniek en ICT. De veilige omgang met informatie heeft te maken met de organisatie, de werkprocessen, beschermingsmaatregelen en de controle hierop. Er is in de afgelopen tijd veel aandacht voor hacks, onveilige websites en datalekken bij gemeenten.

Een betrouwbare informatievoorziening is belangrijk voor de lokale democratie, aangezien de gemeenteraad en het college besluiten nemen op basis van deze informatie. Informatie dient beschikbaar, juist, tijdig en actueel te zijn, waarbij informatie niet geraadpleegd mag worden door onbevoegden. Belangrijk is daarbij dat de persoonsgegevens adequaat worden beveiligd om de privacy van onze inwoners te beschermen en bijvoorbeeld identiteitsfraude te voorkomen.

Op basis van nationale en Europese wetgeving verscherpen de eisen waaraan verwerkingen van persoonsgegevens moeten voldoen. Op basis van deze wetgeving dient onze gemeente daarom passende beveiligingsmaatregelen te treffen die de beschikbaarheid, de integriteit, de vertrouwelijkheid en de controleerbaarheid van de gemeentelijke bedrijfsgegevens zoveel mogelijk te garanderen.